blog Braakbal

blog Braakbal

Rokken

dromenPosted by Jasmien Aernout 21 Sep, 2018 08:32


In het dorp woonde een reuzin. Ze was groter dan de bomen op het kerkplein. Haar sandalen pasten net niet in een gezinswagen. Ze liep altijd in het midden van de weg zodat haar lange paarse rokken tegen de wangen van de mensen streelden. De hele dag wandelde ze traag door het dorp. De mensen sloten hun ogen wanneer de zachte stof hun gezichten aaide.

Sommige dorpelingen namen een omweg naar het werk. Anderen wachtten geduldig de hele dag op een bank. Kinderen duwden hun snuiten in haar rokken en renden daarna vooruit om het nog eens te kunnen doen.

Op een dag hield de reuzin halt. Ze boog haar hoofd tussen het loof van de bomen. Vlak bij haar dikke teen lag een oranje fietshelm op de weg. Tussen duim en wijsvinger nam de reuzin de helm vast en bracht hem tot bij haar ene oog. Daarna liet ze de helm in de zak van haar rokken glijden.

Maandenlang bewaarde de reuzin de oranje fietshelm. Soms speelde ze ermee. Ze zette hem op haar vingertoppen of op de kop van de kerkhaan. Op een morgen werd ze wakker van luidruchtig gekwetter. Een moedervogel zat op een tak te fluiten om hulp. Eerst begreep de reuzin het niet maar dan zag ze drie vogeljongen hulpeloos zitten in een half naar beneden gevallen nest. De reuzin boog zich tussen de takken en stak de fietshelm vast onder het kapotte nest.

Als je nog eens iets geks in een boom ziet hangen...

(Elke dag een kort bericht - dag 5)



Niet struikelen over de liefde

dromenPosted by Jasmien Aernout 17 May, 2018 08:05

Ze zeggen dat je niet mag blijven liggen als je niet kan slapen.
De nacht schijnt haar kamer binnen. Het rolgordijn hangt op een kier zodat de ochtendzon haar op natuurlijke wijze kan wekken. Maar de slaap vatten is moeilijk, ook al is ze moe en dut ze praktisch in op de sofa. Eens ze in haar bed ligt, is de maalstroom niet te stoppen. Ook vanavond niet. Zelfs tijdens een rondje met de meditatie-app houdt ze in haar achterhoofd dat de wifi nog uit moet daarna. Over elke beslissing die ze de laatste tijd neemt, struikelt ze. Elke keer opnieuw. Ze draait zich op haar zij, dan op haar andere zij, op haar rug. Ze legt haar handen op haar borsten en de tranen rollen over haar wangen. Ze omhelst zichzelf, ze omklemt haar bovenlichaam met haar eigen armen om het schokken tegen te gaan. De nacht brengt enge gedachten waarvan ze weet dat ze door het donker zijn beïnvloed en dus niet waardevol zijn. Over elke beslissing struikelt ze maar niet over die van de liefde. Ze maakt die zin in haar hoofd af alsof het een vraag is.

Ze stevent ergens op af en ze is tot wanhoop van de goden te bang om de weg rechtdoor te nemen zodat ze zichzelf drempels voor de voeten gooit, opdat ze haar eigen shit zou hebben waarin ze kan vallen. Ze speelt een ingenieus en onderbewust spel, een perfect uitgedokterd remmechanisme op haar eigen leven om te voorkomen dat een beetje succes zich nog maar zou durven vertonen. Liever meet ze zich in maten en gewichten die niet eens voor haar geldig zijn, liever spelt ze zich labels op dan op te blijven komen voor het enige wat haar zo typeert: zichzelf, een hart dat roert, boeit en beroert en dat fluctueert, erger dan een onstabiele wisselkoers en waarvan ze moet leren houden, ook wanneer het sist op een grijze dag, woekert in nachten als deze en wanneer het lijkt alsof het er vandoor is gegaan, precies dan.

Door kieren en spleten die ze doorheen de jaren in de luiken sloeg die haar omsloten, piept de liefde. Ontluikende en schuchtere straaltjes die ze mocht proeven, waaraan ze bedeesd likte en die ze gretig opsnoof. De liefde, die ze tot nu gemakkelijk met de vlakke hand kon blokkeren, brandt harder en vastberadener dan ooit. Ze moet toegeven dat het onmogelijk wordt om zich te blijven verzetten.


Joggen naar het zuiden

dromenPosted by Jasmien Aernout 02 May, 2018 11:33

Er liep een jogger op de E17. Met zijn witte short en een haarband die zijn wilde manen moest temmen, leek hij te zijn weggelopen van een tennismatch uit de jaren zeventig. Het is natuurlijk niet waar wat ik vertel. Er liep geen jogger op de E17, het was avond en het goot bakken uit de lucht. Maar het zou een mooi beeld zijn geweest. Zeker als je je voorstelt dat je ineens tussen de heen-en-weerslingerende ruitenwissers en de gietende regen een paar witte, fluorescerende loopschoenen opmerkt en het steeds duidelijker wordt dat het om een getrainde loper met een stel stevige dijen gaat die schijnbaar onverstoord over de pechstrook de aprilse grillen trotseert.

Ik reed naar huis na een huiskamerconcert en ik was moe. Dan gebeurt het wel eens dat er dingen aan de horizon opduiken die er niet zijn. Het was met momenten rijden door de zee en ik vroeg me af hoe ver in het zuiden ik zou uitkomen als ik nu gewoon door bleef rijden, als ik het pedaal bleef intrappen tot de nacht en de regen verdwenen waren.

Onder een stralende ochtendzon parkeer ik de auto op een Frans dorpspleintje. Grijze kerktoren met trappen voor het portaal, in het midden een bloeiende lindeboom tussen de kiezelstenen. De bakker die één tafeltje met stoel voor de vitrine heeft staan, verkoopt kranten in een rekje dat piept wanneer het draait. Een schoolbus rijdt aan, pikt het kind met het fluohesje op dat samen met zijn moeder op de hoek van het plein wacht. Een grijzende vrouw dropt een lege fles in de glascontainer. Voor de rest is er geen kat, behalve een rosse met witte streepjes die op het muurtje van de begraafplaats balanceert en wegduikt wanneer de klokken drie keer slaan om vijf voor acht. De bakkersvrouw brengt een koffie met een croissant en het gaat van ‘bonjour’, ‘bienvenue’, ‘waar komt u vandaan?’, ‘wat hebben we meer nodig?’ tot ‘nu is het nog rustig maar over een paar weken staan er wel drie campers op het plein’ en ‘de kajakclub beneden opent eind deze week’ en ‘mijn zus heeft een B&B tussen de wijnranken, helemaal niet ver, slechts drie kwartier rijden’ en ‘merci’ en ‘enchanté’ en ‘bon appétit’. Verder niets, verder stil, verder alleen de zon. Nog voor ik een hap neem van de kraakverse croissant moet ik een vrachtwagen inhalen. Ik drijf het toerental van de ruitenwissers de hoogte in. Ik ben er duidelijk nog niet. Ogen open en recht door zee.

In de kerselaar

dromenPosted by Jasmien Aernout 14 Apr, 2018 13:31


Ik weet niet meer precies waar ik als kind van droomde maar dat ik veel dromen had staat vast. Ik denk dat ik vooral uitkeek naar het leven. Het leven dat me op een bepaald moment in de toekomst, zonder dat ik er op dat ogenblik erg in zou hebben, in de schoot zou worden geworpen. Omdat dat nu eenmaal zo gaat. Omdat ik dacht dat het leven begon wanneer je geen kind meer was. Genietend van een allesomvattende liefde zou ik zonder complexen dat prefableven leiden. Tot het zover was, moest ik nog maar even kind zijn.

In de lente bloeiden de Japanse kerselaars in de straat. En omdat ik overtuigd bezig was met kind zijn, had ik best veel fantasie. Ik verstopte me in een van de roze kruinen en om het extra gezellig te maken nam ik een schriftje mee om verhalen te schrijven met buren en voorbijgangers als inspiratie. In onze verkeersarme straat was praktisch niemand op de been maar de intriges ontsponnen zich gemakkelijk in mijn hoofd.

Ook was ik verzot op de boeken van Marc de Bel en ik wou daarom net als een van zijn personages een eigen woonwagen in de tuin. Pure romantiek was het. Die caravan kwam er niet maar ik werd zo goed in verbeelding dat ik liever in mijn hoofd zat dan elders. Gelukkig mag een kind dat. Mijn beste vriend werd Stan. Hij woonde, wonder boven wonder, samen met zijn oma en zus in een woonwagen op een braakliggend perceel iets verderop. ’s Avonds zat hij op een stoel naast mijn bed. Stan woonde in mijn hoofd.

Toen ik na enkele jaren vond dat ik te groot was om nog langer een ingebeelde vriend te hebben, nam ik plechtig afscheid van Stan. Ik zou mijn dag niet langer met hem bespreken, het was een logische maar best moeilijke stap. Het voorspel van het echte leven werd een regelrechte afknapper. Mijn rebelse karakter nam het over van mijn fantasie. Van toen af werden de schriftjes dikker, de realiteit verdiende rake klappen. En toch dacht ik nog steeds dat het leven me op een bepaald moment zou overkomen, zomaar uit het niets. Omdat dat nu eenmaal zo gaat.

Wat een opdoffer is het wanneer blijkt dat het leven niet op ons zit te wachten. Hoe ik daar als kind in ben gaan geloven, ik weet het niet. Het is een verwachting die bij behoorlijk wat mensen op medelijden zal rekenen, maar waarvan ik geloof dat er evenveel zijn die die ervaring met mij delen. En dan zijn er misschien nog eens zoveel die er nog nooit bij stil hebben gestaan, ofwel omdat ze het te druk hebben met over alles heen te hossen, ofwel omdat ze nog steeds aan het wachten zijn.

Met dat prefabgeluk is het goddank niets geworden. Ik ben alleszins blij dat het kind in mij niet verloren is gegaan. Het lijkt me vreselijk zonder die uiting van de creatieve geest te moeten leven. Een gezonde portie verbeelding is een klever op de ziel, of als je de voorkeur geeft aan een iets minder fatalistische benadering, een briesje op een hete dag.

De Japanse kerselaar keert dikwijls terug in mijn gedachten. Natuurlijk moest ik eerst klimmen om tot in de kruin te komen. Wie zegt dat dromen zo gemakkelijk is, heeft het niet bij het rechte eind.